Ronse op de rand

Vorige week waren er verkiezingen in Italië. 

Altijd amusant, die bonte stoet van clowneske personages. De habitués waren er natuurlijk bij: een pruilende Berlusconi – die heerlijke parodie op Balthasar Boma – die de duimen moest leggen voor een neofascistisch rotjoch in maatpak. Communisten, ex-communisten, christendemocraten in alle mogelijke posities op het bed: centrum-centrum-links of centrum-rechts-toch-iets-meer-naar-het-centrum, voormalige regeringsleden, véél voormalige regeringsleden, diverse familieleden van Mussolini en vertegenwoordigers van alle maffiafamilies… een regen van vallende sterren. Er werd dan ook druk gegesticuleerd, met handen geschud en poëtische verwijten heen en weer gegooid. “Laat het onderhandelen beginnen!”, geboden de krantencommentaren.

Maar wie er ook in slaagt een regering te vormen, één ding kunnen we nu al met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid stellen: de kans dat deze coalitie het einde van haar termijn haalt grenst aan een negatief getal; sinds 1946 zijn er 65 regeringen geweest. Dat betekent dat het gemiddelde kabinet net de 13 maanden haalt.

“ I sent the club a wire stating,
PLEASE ACCEPT MY RESIGNATION.
I DON'T WANT TO BELONG TO ANY CLUB  
THAT WILL ACCEPT ME AS A MEMBER.”
 - Groucho Marx

Het mag dan ook niet verbazen dat af en toe de gestelde lichamen in Europa en Italië zelf besluiten dat het welletjes geweest is en ergens een grijze muis opvissen om een regering van lopende zaken te leiden voor een adempauze voor al dat democratisch drama. Zelfs Thuis onderbreekt even in de zomer.

Het profiel van dergelijke muis is herkenbaar en geruststellend: graag een introverte man van middelbare leeftijd, beleefd en proper op zijn eigen, geen wilde overtuigingen, geen rare naam of opmerkelijke voorgeschiedenis, gespeend van overmatige persoonlijke ambitie. Kortom: niets op aan te merken. Ideologisch laat hij nooit in zijn kaarten kijken, die veranderen toch elke ronde. Als hij al een agenda uit te voeren heeft, dan wel die van de gulden middenweg: die van het status quo. Dit universele subtype politicus noemt men ook wel: een technocraat.

In Ronse mogen we ons gelukkig prijzen dat de gestelde lichamen in Europa – en Italië – niet wakker liggen van de politieke chaos en impasses aan de Molenbeek. Voorkomen is echter beter dan genezen, denkt de immer vooruitziende Ronsenaar, en daarom wordt hier al anderhalf decennium standvastig zélf voor de technocratie gekozen.

Wie kan ons dat verwijten in deze onzekere tijden vol verandering en vluchtelingen? Zolang er links of rechts geen ideale schoonzoon opduikt om ons met Italiaanse flair de hemel – of een stadion – te beloven… Waarom niet het zekere voor het onzekere nemen, nietwaar?

En toch…

Soms knaagt er wat.. verlangt een mens wel wat meer.. bevlogenheid, een grootse geste hier en daar. Politiek is meer dan boekhouden en lintjes knippen en redelijk onderhandelen binnen de grenzen van het mogelijke, nee?

De mensen vragen niet veel. Gewoon zo nu en dan een klein beetje…
Emotie?

Gelukkig voor de technocraat met enige ervaring – in Italië geraken ze daar met hun 13 maand jammer genoeg nooit aan – zijn er kant-en-klare oplossingen. Elke polis kent zo wel van die vaste thema’s die er keer op keer, verkiezing na verkiezing, in slagen de gemoederen te verhitten bij een van verveling hangerig geworden publiek. Ook in Ronse is er zo’n onderwerp dat, zonder uitzondering, dit effect teweegbrengt. Ik heb het dan natuurlijk over faciliteiten.

“O demonisch gallicisme, dat ons ketent aan een onrechtvaardig verleden en Ronse hindert de toekomst zelfverzekerd en open tegemoet te treden, ongeknecht en in eendracht met welwillende deelgemeenten in het noorden!” 
- M Tullius Cicero, 58 v.C.

Zo schreeuwt aldus de gekrenkte Ronsenaar bij het weergalmen van het F-woord op de oorlogstrom die elke zes jaar uit de zolder van de volksbond wordt gehaald. Ik erken bij voorbaat dat ik nooit goed begrepen heb waar al die emotie vandaan komt. Misschien is het mijn leeftijd: ik heb nooit de periode meegemaakt van Franstalige economische en culturele hegemonie die zo alomtegenwoordig scheen geweest te zijn in de getuigenis van oudere stadsgenoten. Evenmin heb ik mij ooit, in deze tijden van agressieve Angelsaksische dominantie, cultureel bedreigd gevoeld door Frans- of anderstaligheid. Integendeel, in ongeveer elke interactie met een eentalige anderstalige landgenoot kreeg ik een verontschuldiging van hunnentwege dat ze mijn taal niet machtig waren. 

Hoezeer ik ook mijn best doe te begrijpen waar die rabiate haat vandaan komt, ik slaag er maar niet in er een redelijke basis voor te vinden. Het helpt niet wanneer men halve historische waarheden of etnocentrische leuzen probeert te analyseren; want wat betekent “Ronse is een Vlaamse stad” dan? Een staatkundig feit: Ronse ligt in Vlaanderen, dat klopt. Er zijn faciliteiten: dat klopt ook. Dat lijkt op een gesprek tussen twee sofisten, zo komen we er niet.

Het historische argument is interessanter; men kan onderbouwen dat onze stad doorheen de geschiedenis vooral Nederlandstalig was – of Diets zo je wil. Maar nooit uitsluitend: zo werden de notulen van de gemeenteraad in de ene eeuw in het Frans en de daaropvolgende in het Nederlands opgesteld. Het is belachelijk om de duurzame aanwezigheid van het Frans in een handel- en nijverheidsstad als de onze te ontkennen.

De territoriale dimensie is zo mogelijk nog meer ambigu. Als men wil spreken over een historische band met Vlaanderen moet men helder zijn over welk Vlaanderen men spreekt: het graafschap dat ontstond rond het Brugse land dat een paar eeuwen om onze contreien touwtrok met de collega’s in Henegouwen, of dat Vlaanderen dat ontstond in de periode tussen de oprichting van België en het vastleggen van de taalgrens?

Als ik in de diepte staar van het plaatselijk verleden – en het recente politieke gekibbel van de laatste twee generaties laat voor wat het is – kan ik maar tot één besluit komen. Deze stad, het land van Ronse – wellicht genoemd trouwens naar een Henegouwse beek – is altijd al een grensgebied geweest. Een uithoek van niet één, maar verschillende regio’s. Nog voor de Germaniseringsgolf in de vroege middeleeuwen was dit het land van Nerviërs of Menapiërs, beide intussen verdronken in de vergeetput van de tijd. Toen de Frankische koningen het continent verdeelden liep de grens hierlangs. Aan het begin van de tachtigjarige oorlog liep het hier vol met Orangisten. Daarvoor en daarna met Picardiërs. Ooit werden we ingedeeld bij “het land van Aalst”, wat dat ook moge wezen. Geografisch vormen we een geheel met het Pays des Collines en op een nachtelijke kaart van de Lage Landen zijn we een klein flits in een zee van zwart omsingeld door een cirkel van Rijsel tot Brussel, Gent tot Bergen, Kortrijk tot Doornik. Wij hebben een bloedlijn van Ekkergem tot in de Rif. Dit is geen stad met één naam.

“Ach” zegt de flamingant, “je vergeet natuurlijk iets, in al je globalistische naïviteit” en hij legt zijn laatste troefkaart op tafel:

“De faciliteiten zijn een molensteen omheen onze nek, want ze verhinderen ons te fusioneren met Maarkedal en Kluisbergen.”

Het argument is fascinerend. En hoewel gebracht met de onderkoelde intonatie van een realpolitiker zal ik hier het antwoord op mijn initiële vraag vinden: vanwaar al die woede om iets waar toch niets aan kan gedaan worden?

Want sta mij toe zelf de realpolitiker kaart te spelen: Ronse heeft niet het politieke kapitaal de faciliteiten af te schaffen, hoeveel brieven men ook stuurt en hoe hard men elke zes jaar ook slaat op die stoffige oorlogstrom. Die dingen zijn begraven in wetten waar niemand zin heeft aan te morrelen. Als ze ooit verdwijnen zal het op zijn Belgisch gebeuren: per ongeluk, omdat iemand die er baat bij had ze te behouden vergeten is op het juiste moment op te dagen voor een of andere vergadering en men geen zin heeft te herbeginnen.

Ik vind het antwoord op mijn vraag door iemand een andere vraag te laten stellen.

“Hoe Ronse? Ligt dat niet in Wallonië?”
“Fusioneren? Misschien. Maar als het moet, dan met Oudenaarde.”

Ik begreep de gekrenkte woede niet omdat ik niet inzag naar wie ze gericht was. Niet tegen de Waal, niet tegen het Brusselse ambtenarenkorps, zelfs niet tegen de Franstalige stadsgenoot. Maar tegen de zogezegde volksgenoot die ons afwijst.

De inhoud van deze pagina werd ingegeven door Yoni Sadaune . Yoni Sadaune draagt de verantwoordelijkheid voor de inhoud.